5a. Wenskaart Offerfeest
2005 Hindoe groep rond altaar
2005 Hindoe groep rond altaar
2005 Ohm teken
Concert 2011.2
Concert 2013 algemene repetitie Servische kerk.jpg
concert2010.la main tendue3.jpg
Davidsfonds.2.jpg
detail14
detail15
Detail16
Dialoogdag Lucerna 29 maart 2011 (2).jpg
Dialoogdag Lucerna 29 maart 2011.jpg
foto 25 maart 2010.jpg
Front5
front6.jpg
front7
front8
Jeugddag 11.11.2011.dialooggroep.1.jpg
Koran in moskee Genk.jpg
Lunch in Abrahamhuis.jpg
Marokkaans koor in protestantse kerk Interreligieus concert 2010.jpg
P6060013

Ontmoeting en conflict: historische voorbeelden


geen afbeelding

KINDEREN VAN ABRAHAM
in ontmoeting en conflict


- vijftien historische voorbeelden -

(Tekst in PDF hier oplaadbaar)
 

Joden, christenen en moslims hebben alle redenen om vreedzaam met elkaar om te gaan. Ze geloven in één God en erkennen veel van elkaars profeten om hen op het pad van deugdzaamheid en rechtvaardigheid te leiden. Maar vooral: ze laten hun respectieve religieuze traditie aanvangen met Abraham. Naar aanleiding van het Offerfeest, dat die Bijbelse en Koranische figuur op de voorgrond brengt, diepen we in de geschiedenis enkele sleutelmomenten op waarbij de gemeen-schappen nu eens met elkaar in vrede leefden, dan weer in conflict lagen. Je kan er de dubbele verhouding Ismaël-Izaak in herkennen: halfbroers die het conflict voorafbeelden en zonen die in de ogen van hun vader even geliefd zijn. Deze brochure is bedoeld als achtergrondinformatie bij het Offerfeest en wil het verband tussen jodendom, christendom en islam benadrukken. Het offer van Abraham houdt voor al zijn nakomelingen een levensopdracht in. De onderliggende boodschap is er een van wederzijdse erkenning om het aangedane leed en respect voor de gezamenlijke wortels en waarden van het geloof



1. Wederzijdse waardering in Mekka.
 

De band van eenheid tussen de afstammelingen van Abraham (de Joods-christelijke traditie via Izaak, de Arabisch-islamitische via Ismaël) kwam in de loop van de geschiedenis regelmatig onder druk te staan. De eerste uitspraken van de profeet Mohammed in Mekka waren echter positief. Zijn volgelingen konden het goed vinden met christenen en Joden omdat ze het geloof in één God deelden en zich verzetten tegen het polytheïsme van Arabië. De openbaringen van Mohammed over het bestaan van één God vormden een bedreiging voor de toenmalige samenleving. De bedevaartsplaats Mekka, waar de verschillende stammen hun respectieve godheden kwamen aanbidden, zou aan belang inboeten. Ook werd Mohammeds aanklacht over onrechtvaardigheden en zijn oproep tot een ethisch leven niet in dank afgenomen door de plaatselijke clanhoofden. Dat verklaart de oproep tot respect tegenover aanhangers van andere monotheïstische religies uit de regio:


- Twist met de mensen van het boek slechts op de beste manier, behalve met degenen onder hen die onrecht plegen, en zegt: "Wij geloven in wat naar ons is neergezonden en in wat naar jullie is neergezonden. Onze god en jullie god is één. En wij geven ons over aan Hem." (S 29, 46)

- God, er is geen god dan Hij, de levende, de standvastige. Hij heeft het boek met de waarheid tot jou neergezonden ter bevestiging van wat er voordien al was en Hij heeft ook de Taura en de Indjiel neergezonden. (S 3, 2-3)

- Zij die geloven, zij die het jodendom aanhangen, de christenen en de Sabiërs die in God en de laatste dag geloven en die deugdelijk handelen, voor hen is hun loon bij hun Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen zij bedroefd zijn. (S 2, 62)

2. Christelijke koning neemt moslims in bescherming.
 

Wanneer de eerste bekeerlingen in Mekka weerstand onder-vonden, namen ze in 615 hun toevlucht tot het christelijke koninkrijk Aksum in Ethiopië. Toen enkele leiders van Mekka hen tot daar achtervolgden en de koning wilden overhalen de moslims terug te sturen, ontstond er een geloofsgesprek tussen de koning en de vluchtelingen. Na het verhaal over hun bekering tot het door Mohammed gepredikte monotheïsme, lazen ze een deel van soerat 19 voor (waarin sprake is van de wonderbaarlijke ontvangenis en de geboorte van Jezus) en vers 4 van soerat 171 (waarin Maria vermeld wordt). Daarop besloot de koning dat de nieuwe boodschap en die van Jezus uit dezelfde bron moesten afkomstig zijn en nam hij de vluchtelingen in bescherming. Hij toonde een stok en stelde dat het verschil tussen het geloof van de moslims en dat van de christenen slechts de lengte bedraagt van een stok.


3. Moslims in conflict met Joden in Medina.
 

Na de vestiging in Medina (622) probeerde Mohammed alle inwoners te laten samenleven. Tot de oemma (aanvankelijk de term voor ‘plaatselijke gemeenschap’, later gedefinieerd als ‘wereldwijde gemeenschap van moslims’) behoorden alle inwoners van Medina, ook de Joden. Samen vormden ze één front tegen de vijanden in Mekka. Als onderdeel van dat eenheidsstreven adopteerde Mohammed enkele Joodse gebruiken: de gebedsrichting was aanvankelijk Jeruzalem; enkele Joodse vastendagen werden gerespecteerd; er werden drie gebedsuren ingevoerd. Toen de Joden hem echter niet als profeet wilden erkennen, keerde hij zich tegen hen en verslechterden de verhoudingen. Na een voorval op de markt tussen een moslimvrouw en een Joodse handelaar werden de leden van één van de drie Joodse stammen uit Medina verdreven. Het incident werd immers beschouwd als het verbreken van de samenhorigheid. Joden werden er eveneens van beticht handelsbetrekkingen met Mekkanen te onderhouden. Verschillende militaire overwinningen van de moslims op de Mekkanen maakten hen zo zelfbewust dat ze elk teken van interne tegenstand bestraften. Ook een tweede groep Joden werd uit Medina verdreven.


4. Christenen en Joden onder moslimbewind.
 

Na de eerste grote veroveringsoorlogen in het Midden-Oosten legden de moslimheersers beperkende maatregelen op aan al wie zich niet bekeerde tot de nieuwe godsdienst. Tegen betaling van tribuutbelasting (zoals vaak gebeurde in wereldrijken uit die tijd) genoten andersgelovigen van een beschermd statuut. De Joodse en christelijke gemeenschappen hadden elk een officiële vertegenwoordiger aan het hof van de kalief. Iedere minderheidsgroep behield zijn eigen rechters die problemen binnen de gemeenschap zelf oplosten. Toch waren er een aantal beperkende maatregelen van kracht. Zo mochten er geen nieuwe kloosters of kerken gebouwd worden en kloosters of kerken in verval mochten niet worden hersteld; openlijk vertoon van kruisen, religieuze boeken of andere voorwerpen was verboden, evenals klokkengelui; niet-moslims mochten geen huizen bouwen die hoger waren dan die van hun islamitische buren.


5. Arabieren veroveren het Heilig Land.
 

Vrij snel ontstond een nieuw conflict. Na de slag bij de Jarmoek veroverden de Arabieren onder kalief Omar in 637 Jeruzalem. Als teken van de islamitische suprematie in het Heilig Land werd eerst de Al Aqsamoskee gebouwd (660) en later de Rotskoepel (ca 690). De Joodse bevolking had echter baat bij die machtswissel: verbannen onder de Byzantijnen, konden zij nu terugkeren naar hun land, ook al bleef hun aantal aanvankelijk beperkt tot zeventig families. Ondertussen gingen de Arabische aanvallen verder waardoor het Byzantijnse Rijk steeds meer inkromp, tot in 1453 Constantinopel viel.


6. De Kruistochten.
 

Na de slag bij Manzinkert in 1071, waar de Byzantijnen werden verslagen door de Seltsjoeken, kwam Jeruzalem in handen van de Turkse Seltsjoeken. Synagogen en kerken werden in brand gestoken. Dat werd door het christelijke Europa als een bedreiging ervaren. De westerlingen wilden het Byzantijnse Rijk mee gaan verdedigen. Toen men bovendien vernam dat pelgrims naar Jeruzalem werden lastig gevallen, vond men dat er ingegrepen moest worden. Zo kwamen de Kruistochten op gang. Omdat Joden de hele Middeleeuwen door werden aanzien als Christusmoordenaars, maakten de kruisvaarders van hun tocht door Centraal- en Oost-Europa gebruik om verschillende Joodse gemeenschappen uit te moorden. De Eerste Kruistocht leidde uiteindelijk tot de verovering van Jeruzalem (1099). Daarna viel de stad opnieuw in moslimse handen onder Salladin (1187). Het Latijnse Koninkrijk Jeruzalem was opnieuw een feit tot in 1244 de Ajjoebiden de stad veroverden, gevolgd door de Mamelukken in 1260. Vanaf die tijd zijn er vaker meldingen geweest van geweld tegen niet-moslimse minderheidsgroepen, maar met het aantreden van de Turkse Osmanen verbeterde de toestand opnieuw. Met de val van Akko, het laatste bolwerk van de kruisvaarders, verdwenen de Europeanen in 1291 definitief uit het Midden-Oosten.

7. Franciscus van Assisi probeert het geweldloos.

 

Franciscus’ visie op de moslims stond diametraal tegenover die van zijn tijdgenoten. Wanneer hij in het evangelie las dat alle mensen bemind moesten worden, ook de vijand, kon hij dat niet vertalen door aan te vallen en dood te slaan. Hij vond dat ook een moslim, vijand of geen vijand, een broer was en broers slaan elkaar niet dood om een heilig doel te bereiken, nl. de herovering van Jeruzalem. Franciscus wilde de moslims het evangelie leren kennen, vanuit de overtuiging dat Christus de moslim meer liefhad dan zijn graf in Jeruzalem, en dat het bezit van het Heilig Land het niet waard was er ook maar één Koranbelijder voor neer te steken. Een overwinning op de moslims betekende nog niet dat je hen ‘gewonnen’ had: het is beter van hen christenen proberen te maken, dan ze als moslims te vernietigen.

 

In 1219 nam Franciscus (1182-1226) samen met enkele medebroeders deel aan de Vijfde Kruistocht, richting Egypte. Tegen de pauselijke legaat verklaarde hij dat hij niet de oorlog wilde winnen, wel de sultan. Hij kreeg toelating zijn vredesmissie op eigen verantwoordelijkheid te ondernemen, niet in naam van de kruisvaarders of van de Kerk. Het blijft onduidelijk hoe hij erin slaagde ongedeerd bij de sultan terecht te komen. Die had met hem een onderhoud over de ware godsdienst, in die zin dat het voor Franciscus niet ging om paus of Heilig Land, maar om de vrede. Die houding moet op de sultan indruk gemaakt hebben, omdat hij een christen ontmoette die geen minachting vertoonde voor de islam, noch voor de Koran of de moslims. Franciscus bereikte evenwel zijn doel niet: de sultan aanvaardde noch de vrede, noch het christendom. Na het onderhoud keerde hij terug naar het leger en maakte hij de verovering van de kuststad Damiate mee. Toen Jeruzalem nadien door onderhandelingen aan Frederik II werd overgedragen (behalve de Rotskoepel en de al-Aqsamoskee), had de paus grote bezwaren omdat Jeruzalem door onderhandelingen met de ‘heidenen’ bevrijd werd en niet door een kruistocht. Het was daardoor immers niet mogelijk om door het offer van zijn leven verdiensten te verwerven: liever een kruistocht dan vrede…

In zijn kloosterregel van 1221 liet Franciscus neerschrijven: “De broeders die uittrekken onder de Saracenen kunnen op twee manieren geestelijk onder hen leven: geen conflicten of onenigheid veroorzaken maar om Gods wil alle mensen onderdanig zijn en ervoor uitkomen christenen te zijn. De tweede manier bestaat hierin dat zij het Woord Gods verkondigen om hen te brengen tot het geloof in de almachtige God, Vader, Zoon en Heilige Geest.”


8. Iberisch schiereiland: van samenleven tot verdrijving.
 

In de 9de en 10de eeuw kende zuidelijk Spanje een gouden tijdperk dankzij de kruisbestuiving van Arabische, Joodse en christelijke intellectuelen en kunstenaars. Het volstaat de namen te vermelden van filosofen en wetenschappers als Averroës, Halevi en Maimonides. Met de komst van de Almoraviden en nadien de Almohaden, twee militante Berber dynastieën, ging veel van die positieve interactie verloren. Als reactie daartegen zetten de katholieke koningen de Reconquista van Al-Andaloes in. Die mondde uit in de val van Granada (1492) en betekende het einde van de aanwezigheid van Joden en moslims. Al wie zich niet wilde bekeren tot het katholicisme werd uit Spanje en Portugal verdreven. Veel Joden vluchtten naar Noord-Afrika, een groot deel werd in het Ottomaanse Istanboel opgevangen.


9. Het Ottomaanse Rijk marginaliseert de Arabieren.
 

Toen de Ottomanen in 1517 Egypte op de Mamlukken veroverden, verhuisde de kalief van Caïro naar Istanboel en met hem veel geleerden en kunstenaars. Behalve Marokko, waar steeds een onafhankelijke dynastie was blijven bestaan, en het Saoedische schiereiland, waren de andere Arabische regio’s tot provincies vervallen die tribuut moesten betalen aan de sultan. Gedurende drie eeuwen werd er weinig of niets nieuws gepresteerd op het vlak van cultuur en wetenschap. De islamitische beschaving was als het ware ingeslapen, tot ze werd wakker geschud door de confrontatie met het Westen, in de nasleep van de Franse Revolutie (begin 19de eeuw).


10. Eerste contact tussen Midden-Oosten en moderne Westen.
 

Tegen het begin van de 19de eeuw waren de westerse mogendheden op militair en technisch vlak de meerdere van de Ottomanen en oefenden zij druk uit op Istanboel om hervormingen door te voeren. Om enigszins gelijke tred te houden op internationaal vlak werden een aantal hervormingen doorgevoerd op administratief en economisch vlak (de Tanzimat). Ondanks de tegenstand van behoudsgezinde religieuze instellingen, kon Atatürk de vernieuwingen structureel vastleggen in het begin van de 20ste eeuw.

Een gelijkaardige evolutie vond plaats in Egypte. Naast de politieke motieven die Napoleon had toen hij in 1798 Egypte binnenviel (de Britse handelsroute naar India overnemen en het Ottomaanse Rijk destabiliseren), reisde er een grote wetenschappelijke delegatie mee van ingenieurs, historici, wiskundigen, biologen, enz. Hun opdracht was een nauwkeurige beschrijving van de Egyptische fauna en flora op te stellen. Gebouwen uit de Oudheid werden beschreven, de hierogliëfen ontcijferd door Champollion (Rosettasteen) en de bevindingen van de wetenschappers gepubliceerd in La Description de l’Egypte. In Europa kwam een ware ‘Egyptomanie’ op gang. Er werd een militaire school naar Frans model gesticht. Egyptenaren gingen naar Europa studeren. In 1832 kwam een tweede culturele expeditie uit Frankrijk toe, die er slechts vier jaar zou blijven, maar de vernieuwing naar Europees model inluidde.

In samenwerking met de sultan, die ze als een verlichte heerser en hervormer aanzagen, stichtten de Europeanen technische scholen om de industrialisering van Egypte te stimuleren, de mijnbouw te exploiteren en de landbouw te moderniseren. Er werd een spoorlijn aangelegd tussen Alexandrië en Caïro, straten werden verbreed en rechtgetrokken voor een vlotter verkeer naar het voorbeeld van Parijs; een opera, een theater en een hippodroom ingehuldigd. Op juridisch vlak werd de Code Civil ingevoerd en tal van openbare scholen geopend. 1869 was het jaar van de opening van het Suezkanaal. Op de Parijse Place de la Concorde verrees een obelisk, afkomstig uit Luxor, als geschenk aan Frankrijk.

Die opening naar Europa was het begin van wat later de Franse en Britse kolonisatie van het Midden-Oosten zou worden. Ze was echter van belang omdat het contact niet ontstond uit religieuze motieven (missionering), maar wel uit politieke, culturele en economische overwegingen (o.i.v. de Franse Revolutie). Beide landen zouden er beter van worden en de Egyptische cultuur, voorheen uitsluitend op islamitische grondslagen gebouwd, zou een mengeling worden van Europese en Oosterse tradities. Tot er in de 20ste eeuw een reactie ontstond uit fundamentalistische hoek door ondermeer de Moslimbroeders.

11. Versplintering van het Ottomaanse Rijk: westerse invloed en islamitische reactie.

 

Nadat het Ottomaanse Rijk de Eerste Wereldoorlog had verloren, viel het in vele staten en staatjes uiteen. Die werden gedomineerd door de overwinnaars: Frankrijk en Groot-Brittannië. Dat werd ervaren als een westerse kolonisatie en riep reacties op van islamitische groeperingen en denkers. Din al-Afghani (Afghanistan), Rashid Rida (Egypte), al Banna (Egypte), Sayyed Maududi (Pakistan), Sayyed Qutb (Egypte) en Ayatollah Khomeini (Iran) weten de terugval van de moslimcultuur en de afhankelijkheid tegenover het Westen aan de verwaarlozing van de eigen identiteit. Zij keerden terug naar de bronnen en stelden de eerste eeuwen van de islam voor als een geïdealiseerde periode die een hoge beschaving had verwezenlijkt. De westerse ideeën moesten in meer of mindere mate worden verworpen en alle heil was te verwachten van een restauratie van de islam.

Er waren echter ook geleerden die op een andere manier op de crisis reageerden en de islam in moderne zin wilden hervormen. Zij maakten onderscheid tussen tijdsgebonden en eeuwig geldige verzen uit de Koran: Ahmad Khan (India), Mohammed Abduh (Egypte), Mohamed Taha (Soudan), Fazlur Rahman (Pakistan), Mohammed Karmoun (Frankrijk), Khalaf Allah (Egypte), Mohammed Talbi (Tunesië).


12. Palestijns-Israëlisch conflict 20ste eeuw.
 

De beloften van de grootmachten aan de Palestijnen en Joden op het einde van de Eerste Wereldoorlog werden niet gerealiseerd. Daardoor groeiden beide volken uit elkaar en eisten ze allebei het grondgebied van Palestina/Israël op. De onafhankelijkheids-verklaring van de Staat Israël in 1948 en de daaropvolgende bezetting van Palestijnse gebieden (Gazastrook, westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem) veroorzaakten verschillende oorlogen en interne opstanden (intifada). Religieuze groeperingen in Israël menen op grond van de Bijbelse belofte recht te hebben op het hele territorium terwijl de Palestijnen een van de weinige volkeren zijn zonder grondgebied als vaderland. Hun verzet wordt gepleegd in naam van de jihad. Het decennia aanslepende bloedige conflict doet waarnemers besluiten dat zonder vrede in het Midden-Oosten er nooit vrede zal zijn in de wereld.


13. Elf november 2011 en het moslimterrorisme.
 

De aanslag op de Twin Towers in New York leidde een tijdperk in van terrorisme in naam van de islam. De Verenigde Staten en veel andere landen bonden daarop de strijd aan tegen de grensoverschrijdende aanvallen van groepen verbonden met Al Qaeda. Die situatie leidde tot inperking van mensenrechten en tot de inval in Irak en Afghanistan. Ook al wordt gewelddadig optreden niet door de Koran aangemoedigd, tenzij wanneer moslims worden aangevallen, toch laten de terreurgroepen uitschijnen dat zij in naam van Allah het westers imperialisme in het Midden-Oosten met alle middelen mogen bestrijden. Door de groeiende onrust verlaten heel wat christenen Irak en omliggende gebieden. In Egypte en Pakistan wordt zelfs openlijk tegen kerken geageerd. Twee religieuze gemeenschappen die een gezamenlijke aartsvader hebben en een niet zo sterk verschillende religie aanhangen, staan als aartsvijanden tegenover elkaar. De plaatselijke bevolking, die vrede en rust wenst, wordt in de spiraal van geweld meegesleurd.


14. De Jezusmoskee.
 

In Jordanië staat sinds midden 2008 een moskee die genoemd is naar Jezus Christus. Teksten uit de Koran die over Isa (Jezus) en zijn moeder Myriam (Maria) gaan, sieren de gevel van het gebouw. Het is voor zover bekend de enige moskee ter wereld die de naam van de grondlegger van het christelijk geloof draagt. De Isa al-Masih moskee bevindt zich in Madaba, een Bijbelse stad, dertig kilometer ten zuiden van de hoofdstad Amman. Volgens de plaatselijke imam bewijst de naamgeving dat "de islam een godsdienst van tolerantie is en niets te maken heeft met extremisme''. Hij wijst erop dat moslims Jezus Christus als een profeet beschouwen, omdat Hij "de mensheid vooraf aankondigde dat de profeet Mohammed zou komen''. Publiekelijk hebben ook christelijke leiders de inwijding van de moskee verwelkomd. Anderzijds vinden een aantal christenen dat een naam niet veel zegt. Isa en Myriam komen inderdaad ook in de Koran voor; de echte vraag wat christenen betreft, is wat je over Jezus Christus gelooft. Het Jordaanse ministerie van Godsdienst sprak van een "gebaar'' dat aansluit bij "het beleid van Jordanië om dialoog tussen religies en beschavingen te stimuleren''. Madaba was vanaf de vierde eeuw een welvarende christelijke stad. Er zijn mozaïeken bewaard gebleven, onder meer de vroegst bekende kaart van Jeruzalem en het Heilige Land, uit de zesde eeuw. Na de val van het Byzantijnse rijk raakte de stad in verval. Omstreeks 1880 brachten Arabische christenen de stad weer tot ontwikkeling. Nu is nog zo'n tien procent van de zestigduizend inwoners christen, de overgrote meerderheid is moslim.


15. Het Huis van Maria.
 

Maria-heiligdommen zijn niet alleen voor katholieken een belangrijke bedevaartsbestemming. Ook moslima’s vereren Maria. Vaak hebben katholieken en moslims dezelfde beweegredenen om Maria op te zoeken. Vlakbij de Turkse plaats Selçuk ligt het Huis van Moeder Maria (Meryem Ana Evi). Sinds 1892 is dit een officieel katholiek bedevaartsoord, omdat een Duitse non op deze plek droomde hoe Johannes hier een huis voor Maria bouwde. Toch bezoeken moslims de plek ook regelmatig, om er te bidden, een kaarsje te branden of gewijd water te halen in de hoop genezing en troost te bekomen. Afbeeldingen van de Maagd hangen er naast amuletten met de naam van Allah. Sommige souvenirs combineren het beeld van Maria met de hand van Fatima (1). In de Koran wordt zeventig keer naar Maria verwezen. De Koran beschrijft hoe God Maria helpt tijdens haar barensweeën. Hij zorgt ervoor dat Maria verse dadels en koel bronwater krijgt. Veel moslima’s zeggen die verzen op voor of tijdens hun bevalling, in de hoop op goddelijke bijstand. De meeste vrouwen maken geen verschil tussen een katholieke en een islamitische Maria. Voor hen is zij vooral een moeder die weet wat lijden is en het eigen lijden kan verlichten. Door een Maria- heiligdom te bezoeken, gaan moslima’s eigenlijk tegen de officiële doctrines van hun religie in. In de islam is het vereren van iets of iemand anders dan God verboden. Vaak zien imams de Mariaverering als een vorm van bijgeloof.

(1) De hand van Fatima staat symbool voor geluk, steun, geduld en trouw.
     Al die deugden zijn voor de moslim een afweer tegen het boze oog.




 

Het islamitisch Offerfeest kan een aanleiding zijn voor
moslims, christenen en Joden om elkaar vrede toe te wensen.
Moge het offer van Ibrahim,
die zich aan de wil van God overgaf,
vandaag worden beleefd als het doen van Gods wil
in het vreedzaam samenleven met alle gelovigen.
Moslims, christenen en Joden zijn allen
van dezelfde stamvader Abraham afkomstig.
Samen zullen zij vanuit hun onderlinge verscheidenheid
een samenleving moeten opbouwen
in wederzijds respect en zonder geweld.
Moge de confrontaties uit het verleden plaats maken
voor een nieuwe weg naar vrede.


Citaten uit beide tradities :
 

“Er was een tijd dat ik iedereen die niet tot mijn geloof behoorde, afkeurde.
Nu is mijn hart zo groot geworden om alle vormen aan te nemen:
een weide voor de gazellen, een klooster voor de monniken;
een tempel voor de goden, een Kaba voor de pelgrims;
een boekrol van de Torah, een bladzijde van de Koran.
Mijn geloof is het geloof van de liefde.
Welke route de karavaan der liefde ook volgt,
die richting zal ook het pad van mijn geloof zijn.”

(Ibn Arabi, Andalousië, 13de e)


“Uit één mens heeft hij de hele mensheid gemaakt, die hij over de hele aarde heeft verspreid;
voor elk volk heeft hij een tijdperk vastgesteld en hij heeft de grenzen van hun woongebied bepaald.
Het was Gods bedoeling dat ze hem zouden zoeken en hem al tastend zouden kunnen vinden,
aangezien hij van niemand van ons ver weg is. Want in hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.
Of, zoals ook enkele van uw eigen dichters hebben gezegd: “Uit hem komen ook wij voort.”

(Handelingen van de Apostelen 17; 26-28)


“Daarop nam Petrus het woord en zei:
‘Nu begrijp ik pas goed dat God geen onderscheid maakt tussen mensen,
maar dat hij zich het lot aantrekt van iedereen, uit welk volk dan ook,
die ontzag voor hem heeft en rechtvaardig handelt.”

(Handelingen van de apostelen 10, 34-35)


“En als jouw Heer het had gewild, hadden wie er op de aarde zijn allen geloofd.
Of kun jij de mensen dwingen gelovigen te worden?
Niemand kan geloven zonder Gods toestemming en Hij legt de gruwelijke straf op
aan hen die niet verstandig zijn.”

(Koran 10; 99-100)


“In de godsdienst is geen dwang.
Redelijk inzicht is duidelijk onderscheiden van verdorvenheid.”

(Koran 2, 256)


 



Terug naar overzicht